De Rouwmantel — over overwinteren en opnieuw beginnen

© Erik Karits

Hij verschijnt als je hem het minst verwacht. Begin maart, als de winter nog nauwelijks heeft losgelaten, fladdert er plotseling een grote, donkere vlinder door het bos. De Rouwmantel. Een van de meest bijzondere vlinders die Nederland kent — en een van de meest veelzeggende.

Want ook deze naam is niet toevallig.

Een mantel van donker en goud

De Rouwmantel is een grote, roodachtig zwarte vlinder met een opvallende gele achterrand. Donker van binnen, met een zoom van licht aan de rand. Als je hem ziet, begrijp je de naam meteen. Die combinatie van zwart en goud — van donker en licht — maakt hem onmiskenbaar.

Ik zie daarin iets wat ik ook tegenkom in rouw. De donkerte is er, groot en aanwezig. Maar aan de randen is er altijd ook iets anders. Een moment van warmte. Een herinnering die glimlacht in plaats van pijn doet. Een klein lichtpuntje dat je even verrast.

Rouw is zelden alleen maar donker. En de Rouwmantel laat dat zien.

Overwinteren om te overleven

Wat de Rouwmantel zo bijzonder maakt, is hoe hij de winter doorkomt. Hij overwintert in een houtstapel of holle boom, en de eerste vlinders verschijnen omstreeks maart. Terwijl alles om hem heen bevroren lijkt, wacht hij. Beschut, stil, ingekropen op een plek waar de kou hem niet helemaal bereikt.

Dat is geen passiviteit. Dat is overlevingswijsheid.

Mensen die rouwen kennen dat gevoel ook. De periodes waarin je je terugtrekt. Waarin je niet naar buiten wilt, niet wilt praten, niet wilt uitleggen hoe het gaat. Waarin je gewoon ergens wilt schuilen totdat het weer draaglijker wordt.

Dat terugtrekken is geen zwakte. Het is wat het lichaam en de geest soms nodig hebben. Zoals de Rouwmantel zijn houtstapel opzoekt — niet om op te geven, maar om er straks weer uit te kunnen komen.

Vroeg in het voorjaar

En dan komt hij tevoorschijn. In het voorjaar drinken de vlinders nectar van wilgenbloesem. Vroeg, als de lente nog pril is en de meeste vlinders nog weken op zich laten wachten. De Rouwmantel is er al. Voorzichtig, maar aanwezig.

Dat vroege verschijnen raakt me. Na een lange, stille winter — toch weer beweging. Niet omdat alles goed is. Niet omdat het verdriet weg is. Maar omdat er iets in hem is dat verder wil. Dat nectar zoekt. Dat het licht opzoekt, hoe koud het nog is.

Zo gaat het ook met rouw. Op een dag merk je dat je iets wilt. Een wandeling maakt. Ergens van geniet, ook al voel je je er schuldig over. Je lichaam dat zegt: ik wil ook nog leven.

Dat is geen verraad aan wie je verloren hebt. Dat is de Rouwmantel die uit zijn schuilplaats kruipt.

Donker en veerkrachtig tegelijk

De Rouwmantel draagt zijn naam niet als een last. Hij draagt hem als wat hij is — een wezen dat de winter heeft overleefd, dat het donker kent van binnenuit, en dat toch weer vliegt.

Rouw verandert je. Dat is onvermijdelijk. Maar het maakt je ook iets. Iemand die weet hoe donker het kan worden. Iemand die weet hoe het voelt om te wachten tot het weer draaglijker wordt. En iemand die, als de tijd rijp is, toch weer op zoek gaat naar het licht.

Net als de Rouwmantel. Donker van buiten, goud aan de rand.

Misschien vind je dit ook interessant: Rouwgolven: wat zijn het en hoe kom je erdoorheen?

Scroll naar boven